Glucose 50 % Sterop 5g/10ml 10
Op voorschrift
Geneesmiddel

Glucose 50 % Sterop 5g/10ml 10

  € 18,44

information-circle Terugbetaalbaar

Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.

Terugbetalingstarief

€ 0,00 (6% inclusief btw)

Verhoogde tegemoetkoming

€ 0,00 (6% inclusief btw)

Belangrijke informatie

Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.

Maximum toegelaten hoeveelheid in winkelwagen bereikt

  € 18,44
Op bestelling

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik  Behalve wanneer ze op een adequate manier verdund worden, kunnen hypertonische oplossingen die via een infusie in een perifere ader worden toegediend, een irritatie of schade aan de ader en een trombose veroorzaken. De sterk hypertonische oplossingen moeten enkel toegediend worden met behulp van een veneuze katheter die centraal in een ader van groot kaliber aangebracht is (zoals de bovenste venae cavae).  Hypertonische glucoseoplossingen moeten met voorzichtigheid toegediend worden bij diabetespatiënten, alsook bij patiënten die overgevoelig zijn aan gluciden, ongeacht de oorsprong ervan, waarbij men zorgvuldig moet waken over de glycemie en de glycosurie en de posologie van de insuline of andere bloedsuikerverlagende geneesmiddelen eventueel moet aanpassen.  In geval van een ischemische aanval, kan de hyperglycemie de neurologische schade versterken. Meerdere onderzoekers raden trouwens aan om geen glucoseoplossingen te gebruiken bij de patiënten met een risico van cerebrale ischemie, een aanval, een imminente hartstilstand of een ernstige hypotensie, tenzij een hypoglycemie vastgesteld werd.  Als de toediening van een sterk hypertonische glucoseoplossing bruusk stopgezet wordt, moet 50 of 100mg/ml glucose toegediend worden om een reactie van hypoglycemie te vermijden.  Bij een verlengde parenterale voeding, kan glucose de insulineproductie aantasten. Om dit potentieel ongewenst effect te vermijden en het risico van hyperglycemie en dus van glycosurie te minimaliseren, kan het nuttig zijn insuline aan de infusie toe te voegen.  De hypertonische glucoseoplossingen moeten met voorzichtigheid toegediend worden bij patiënten met hartdecompensatie of een deficiënte nierfunctie, want dan bestaat er risico van dehydratatie. De tolerantie van glucose kan afnemen bij een nierinsufficiëntie.  Bij de toediening van hypertonische oplossingen moet men bijzonder opletten om niet buiten de ader te injecteren (extravasatie).  De snelheid van de infusie moet gecontroleerd worden en mag een (maximum) hoeveelheid van 0,5 g watervrije glucose per minuut niet overschrijden vanwege het risico dat zich een hyperglycemie, een glycosurie en een hyperosmolair syndroom zou ontwikkelen.  Bij een verlengde behandeling en bij de patiënten bij wie dat gerechtvaardigd is, moeten de elektrolytische waarden van het bloed (magnesium, fosfaat, kalium, sodium) en de zuur-base waarden regelmatig gecontroleerd worden, alsook de glycemie en indien nodig moeten deze parameters gecorrigeerd worden.  In aanwezigheid van een natriumdepletie, kan de toediening van een glucoseoplossing zonder natrium een perifere collapsus en een oligurie veroorzaken.  Het is raadzaam om geen totaal bloed via dezelfde aderlijn toe te dienen vanwege het risico van pseudo�agglutinatie.  Het is ook aanbevolen om geen oplossingen toe te dienen als ze niet helder zijn of als ze zichtbare deeltjes bevatten.  Er bestaat in het algemeen een risico van irritatie of van necrose op de plaats van de injectie of van tromboflebitis in geval van te snelle of langdurige toediening, of bij injectie van een te groot volume.

Therapeutische indicaties De hypertonische glucoseoplossingen zijn aangewezen:  Als bron van calorieën, onder meer in de parenterale voeding;  Bij profylaxis en behandeling van ketose (te hoog ketonengehalte in het bloed) in toestanden van ondervoeding;  Als spoedbehandeling bij te lage suikergehaltes in het bloed (acute hypoglycemie).

Welke stoffen zitten er in Glucose Sterop? Het werkzaam bestanddeel is : Glucose 100 mg/ml (in vorm of glucose monohydraat 110 mg/ml). Glucose 200 mg/ml (in vorm of glucose monohydraat 220 mg/ml). Glucose 300 mg/ml (in vorm of glucose monohydraat 330 mg/ml). Glucose 500 mg/ml (in vorm of glucose monohydraat 550 mg/ml).

Het ander bestanddeel is water voor injectie.

Bij diabetespatiënten vereist de toediening van een oplossing die suiker in het bloed brengt, zoals Glucose Sterop, de aanpassing van de insulinedosering of van gelijk welk ander geneesmiddel dat het suikergehalte in het bloed beïnvloedt.

Onverenigbaarheden De onverenigbaarheden hangen af van de eventueel toegevoegde medicaties. Voor elke menging moet de bijsluiter van het betrokken geneesmiddel geraadpleegd worden. Eens het mengsel uitgevoerd kan zich vorming van neerslag voordoen of kunnen onoplosbare komplexen of kristallen ontstaan. Ook moet men toezicht houden op een eventuele kleurverandering van de oplossing.

Ter aanwijzing : de volgende toegevoegde medicaties zijn onverenigbaar met de hypertonische glucoseoplossingen :

 Cyanocobalamine;  Kanamycinsulfaat;  Natriumnovobiocine;  Natriumwarfarine;  Hydrocortison hemisuccinaat;  Tetracyclines;  Cefalotine;  Amfotericine;  Benzylpenicilline;  Natrium en Calciumedetaat;  Histamine.

Het is bovendien aangeraden niet gelijktijdig bloed toe te dienen via dezelfde infusieset, gezien het risico van pseudo-agglutinatie.

  1. MOGELIJKE BIJWERKINGEN

Zoals elk geneesmiddel kan Glucose Sterop bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.

Glucose kan gewoonlijk toegediend worden met een snelheid van 0,5 g/Kg en per uur zonder glucosurie te veroorzaken. Er kan zich evenwel een overmaat aan suiker in het bloed (hyperglycemie) en een glycosurie voordoen bij een massieve of te snelle intraveneuze toediening of in geval van metabolische insufficiëntie. Als deze verschijnselen niet behandeld worden, kunnen ze tot een dehydratatie leiden, tot een hyperosmolaire coma (door een teveel aan opgeloste elementen in het bloed) en zelfs tot de dood. De adequate behandeling bestaat onder meer in het verminderen van de infusiesnelheid en in het toedienen van insuline.

Er kunnen zich ook andere ongewenste reacties voordoen, afhankelijk van de toedieningstechniek, zoals infectie op de plaats van de inspuiting, koorts, adertrombose of flebitis die zich uitstrekt vanop de plaats van de inspuiting, extravasatie (inspuiting buiten de ader) en, bij een te snelle toediening, plaatselijk pijn en, in zeldzame gevallen, irritatie van de ader.

• Hyperglycemie.
• Diabetische coma.
• Ongecontroleerde diabetes.
• Anurie.
• Delirium tremens met ernstige dehydratie of gelijk welke andere toestand van ernstige dehydratie.
• Intracraniale of intraspinale hemoragie.
• Cerebrale ischemische vasculaire accidenten.
• Neurochirurgisch ingreep.
• Hyponatremie.
• Hypokaliëmie.
• Hypervolemie.
• Waterintoxicatie (hyperhydratie).
• Hyperosmolaire coma.
• Lactacidose.
• Nierinsufficiëntie.

Er bestaan geen tegenaanwijzingen voor het gebruik van deze hypertonische glucoseoplossingen tijdens de zwangerschap of tijdens het geven van borstvoeding. Niettemin is het aanbevolen om de toediening van glucose onmiddellijk voor de bevalling te beperken vanwege het feit dat een forse toediening van glucose gekoppeld werd aan een verhoogde zuurtegraad van het bloed van de foetus, alsook aan een te hoog insulinegehalte en een te laag suikergehalte bij de pasgeborene.

  1. HOE GEBRUIKT U GLUCOSE STEROP?

De oplossing is toegediend door trage intraveneuze infusie.

In het algemeen hangt de posologie af van de leeftijd, het gewicht, de klinische conditie en het hydro-elektrolytisch en zuur-base evenwicht van de patiënt.

De glucosegehalten in het bloed moeten tijdens de behandeling nauwlettend gevolgd worden en de maximale snelheid van de toediening wordt geraamd op 500 tot 800 mg per Kg en per uur.

De toediening van hypertonische glucoseoplossingen moet gebeuren door een trage intraveneuse infusie in een centrale ader.

De meer geconcentreerde oplossingen zijn viskeuzer en irriterend voor de aders. De minder geconcentreerde oplossingen zijn even efficiënt en minder irriterend, maar vereisen het gebruik van grotere volumes.

In de parenterale voeding: De hoeveelheid toe te voegen glucose zal afhankelijk zijn van het beoogd calorisch evenwicht (1 g glucose komt overeen met ongeveer 3,8 kcal of 16kJ). De parenterale voeding gebeurt door een trage en regelmatige infusie over 24 uur. Het debiet van de infusie mag een volume dat overeenkomt met 0,5 g glucose per minuut niet overschrijden.

CNK 2179448
Organisaties Sterop group
Merken Sterop
Breedte 124 mm
Lengte 219 mm
Diepte 22 mm
Hoeveelheid verpakking 10
Actieve ingrediënten glucose
Behoud Kamertemperatuur (15°C - 25°C)